\Cura is de meest gebruikte slicer software voor 3D printen. Dit gratis programma van UltiMaker zet je 3D modellen om in instructies die je printer begrijpt. Met tientallen instellingen heb je volledige controle over de kwaliteit, sterkte en snelheid van je prints. In deze handleiding leggen we de belangrijkste Cura instellingen uit, van laaghoogte tot support structuren, zodat je direct betere resultaten haalt.
Wat is een slicer en waarom heb je Cura nodig?
Stap 1 van 3: welke handleiding zoek je? (je kunt hier starten)
📍 Stap 1 van 3: kies het type handleiding
Welk type handleiding zoek je?
Vul dit formulier in en we helpen je direct verder. Binnen 1 minuut geregeld.
We gebruiken je keuze om je direct naar de juiste uitleg of handleiding te leiden. Geen moeite, direct duidelijkheid.
Een slicer is het programma dat een 3D model (meestal een STL- of 3MF-bestand) omzet in G-code: een reeks instructies die je printer vertellen waar de nozzle naartoe moet bewegen, hoe snel, en hoeveel filament er moet worden geextrudeerd. Zonder slicer kan je printer niets met een 3D model.
UltiMaker Cura is de populairste slicer en wordt door miljoenen gebruikers wereldwijd ingezet. Het programma is gratis beschikbaar voor Windows, macOS en Linux. Cura ondersteunt vrijwel alle FDM-printers, van budget modellen zoals de Creality Ender 3 tot professionele machines van UltiMaker, Prusa en Bambu Lab.
Na het downloaden en installeren van Cura selecteer je eerst je printer uit de uitgebreide lijst met ondersteunde modellen. Cura laadt automatisch een standaardprofiel met instellingen die goed werken voor de meeste prints. Van daaruit kun je elke instelling naar wens aanpassen.
Laaghoogte: de basis van printkwaliteit
De laaghoogte is de dikte van elke individuele laag die je printer neerlegt. Dit is de meest impactvolle instelling in Cura en bepaalt direct de balans tussen kwaliteit en printsnelheid.
Standaard laaghoogtes
- 0,1 millimeter: zeer fijn, ideaal voor gedetailleerde modellen en miniaturen. Printtijd is twee tot drie keer langer dan standaard
- 0,15 millimeter: fijn, goede balans tussen kwaliteit en snelheid voor visuele objecten
- 0,2 millimeter: de standaard voor de meeste prints, biedt een goede mix van kwaliteit en snelheid
- 0,28 millimeter: grof maar snel, geschikt voor functionele onderdelen waar uiterlijk minder belangrijk is
- 0,3 millimeter: maximaal voor een 0,4 millimeter nozzle, alleen voor snelle prototypes en testprints
De maximale laaghoogte is ongeveer 75 procent van de diameter van je nozzle. Met een standaard 0,4 millimeter nozzle kun je dus maximaal 0,3 millimeter hoog printen. Voor dikkere lagen heb je een grotere nozzle nodig, zoals een 0,6 of 0,8 millimeter nozzle.
Eerste laag hoogte
De eerste laag stel je apart in, los van de overige lagen. Een dikkere eerste laag van 0,28 tot 0,3 millimeter verbetert de hechting aan het bed. Zorg er wel voor dat je bed correct is gekalibreerd voordat je de eerste laag hoogte aanpast.
Wanddikte en wandlijnen
De wanddikte bepaalt hoe dik de buitenwanden van je print zijn. In Cura stel je dit in via Wall Thickness of via het aantal Wall Line Count.
Aanbevolen wandinstellingen
- 2 wanden (0,8 mm): minimaal, voor snelle prints waar sterkte niet belangrijk is
- 3 wanden (1,2 mm): de standaard, goed voor de meeste toepassingen
- 4 wanden (1,6 mm): extra sterk, voor functionele onderdelen
- 5+ wanden: voor maximale sterkte, bijna massief
Meer wanden maken je print sterker maar verhogen de printtijd. Voor veel toepassingen is het effectiever om het aantal wanden te verhogen dan om meer infill toe te voegen, omdat de buitenwanden de meeste structurele sterkte bieden.
Infill: de vulling van je print
Infill is het interne rasterpatroon dat de binnenkant van je print vult. Het bepaalt de sterkte, het gewicht en de printtijd van je object.
Infill percentage
- 0 tot 5 procent: holle of bijna holle prints, alleen voor decoratieve objecten
- 10 tot 15 procent: lichtgewicht, voldoende voor modellen en prototypes
- 20 procent: de standaard, goede balans voor de meeste prints
- 40 tot 60 procent: sterk, voor functionele onderdelen onder belasting
- 80 tot 100 procent: bijna of volledig massief, zelden nodig
Het verhogen van infill boven de 40 procent levert steeds minder extra sterkte op. In veel gevallen bereik je meer door het aantal wanden te verhogen dan door meer infill toe te voegen.
Infill patronen
Cura biedt meer dan tien verschillende infill patronen. De belangrijkste zijn:
Grid: een raster van kruisende lijnen. Sterk in alle richtingen en de standaardkeuze voor de meeste prints.
Cubic: een driedimensionaal patroon van gestapelde kubussen. Biedt gelijkmatige sterkte in alle drie de assen en is ideaal voor onderdelen die vanuit meerdere richtingen belast worden.
Gyroid: een golvend, organisch patroon dat sterk is in alle richtingen en goed doorlatend voor vloeistoffen. Populair voor vazen en functionele onderdelen.
Lightning: een minimalistisch patroon dat alleen ondersteunt waar het nodig is, namelijk onder horizontale oppervlakken. Dit bespaart enorm veel materiaal en printtijd, maar biedt weinig interne sterkte.
Lines: eenvoudige rechte lijnen die per laag van richting wisselen. Snel te printen maar minder sterk dan Grid of Cubic.
Printsnelheid instellen
De printsnelheid in Cura is opgedeeld in meerdere categorien. Je kunt de snelheid voor wanden, infill, support en eerste laag apart instellen.
Aanbevolen snelheden
- Buitenwand: 30 tot 50 mm/s voor een glad oppervlak
- Binnenwand: 50 tot 80 mm/s
- Infill: 60 tot 120 mm/s, hier is snelheid belangrijker dan oppervlaktekwaliteit
- Eerste laag: 20 tot 30 mm/s voor optimale hechting
- Support: 40 tot 60 mm/s
- Travel: 120 tot 200 mm/s, de snelheid waarmee de nozzle beweegt zonder te extruderen
Hogere snelheden leiden tot snellere prints maar kunnen de kwaliteit verlagen. De buitenwand print je het langzaamst voor het beste oppervlak. Infill kun je veel sneller printen omdat het aan de binnenkant zit en niet zichtbaar is.
Moderne printers zoals de Bambu Lab P1S of Creality K1 kunnen aanzienlijk sneller printen dankzij input shaping en pressure advance technologie. Bij deze printers kun je de snelheden verdubbelen of zelfs verdrievoudigen zonder noemenswaardig kwaliteitsverlies.
Retractie: stringing voorkomen
Retractie is het terugtrekken van het filament in de nozzle wanneer de printkop zich verplaatst naar een ander deel van het model. Zonder retractie lekt er filament uit de nozzle tijdens deze verplaatsingen, wat resulteert in dunne draadjes tussen de onderdelen van je print. Dit noemen we stringing.
Retractie-instellingen per filament
PLA:
- Retractie afstand: 5 tot 7 mm (Bowden) of 0,5 tot 2 mm (Direct Drive)
- Retractie snelheid: 40 tot 60 mm/s
PETG:
- Retractie afstand: 4 tot 6 mm (Bowden) of 0,5 tot 1,5 mm (Direct Drive)
- Retractie snelheid: 25 tot 45 mm/s
ABS:
- Retractie afstand: 5 tot 7 mm (Bowden) of 0,5 tot 2 mm (Direct Drive)
- Retractie snelheid: 40 tot 60 mm/s
Het verschil tussen Bowden en Direct Drive printers is belangrijk. Bij een Bowden-systeem zit de extruder bovenop het frame en duwt het filament door een lange PTFE-buis naar de nozzle. Hierdoor is een langere retractie-afstand nodig. Bij Direct Drive zit de extruder direct boven de nozzle, waardoor kortere retractie volstaat.
Meer informatie over de juiste temperatuur en eigenschappen per filament vind je in onze vergelijking van PLA, PETG en ABS.
Support structuren
Support structuren zijn tijdelijke steunen die overhangende delen van je model ondersteunen tijdens het printen. Na het printen verwijder je de supports handmatig.
Wanneer heb je support nodig?
De vuistregel is dat overhangen van meer dan 45 graden support nodig hebben. Bij kleinere overhangen kan de printer elke nieuwe laag net voldoende laten rusten op de vorige laag. Boven de 45 graden hangt het filament in de lucht en zakt het naar beneden zonder ondersteuning.
Support types in Cura
Normal support: traditionele support die uit rechte kolommen bestaat. Eenvoudig te berekenen en betrouwbaar, maar laat meer sporen achter op je print.
Tree support: organische, boomachtige structuren die vanuit de grond omhoog groeien naar overhangende delen. Tree supports gebruiken minder materiaal, zijn gemakkelijker te verwijderen en laten minder sporen achter. Ze kosten wel meer rekentijd in de slicer.
Support instellingen optimaliseren
- Support Density: 10 tot 20 procent is voldoende voor de meeste prints
- Support Z Distance: de afstand tussen support en model, standaard is dit een laaghoogte. Vergroot deze voor gemakkelijker verwijderen
- Support Interface: schakel dit in voor een gladder oppervlak waar de support het model raakt. Het voegt een dichte laag toe bovenop de support
- Support Placement: kies Touching Buildplate als je alleen ondersteuning wilt vanaf het bed, of Everywhere als je ook support op het model zelf nodig hebt
Koeling en ventilator instellen
De ventilator van je printer koelt het net geextrudeerde filament af. Dit is belangrijk voor de printkwaliteit, maar de optimale koeling verschilt per materiaal.
- PLA: 100 procent ventilatorsnelheid vanaf de tweede laag. PLA heeft maximale koeling nodig voor scherpe details en schone overhangen
- PETG: 30 tot 50 procent. Te veel koeling veroorzaakt slechte laagverbinding bij PETG
- ABS: ventilator uit of maximaal 10 tot 20 procent. ABS heeft warmte nodig om goed te hechten tussen de lagen
De eerste laag print je altijd zonder ventilator, ongeacht het materiaal. Dit verbetert de hechting aan het bed. In Cura stel je dit in via de optie Initial Fan Speed op 0 procent.
Speciale functies in Cura
Adaptive Layers
Adaptive Layers past de laaghoogte automatisch aan op basis van de geometrie van je model. Bij vlakke, horizontale delen gebruikt Cura dikkere lagen voor snelheid. Bij gebogen of gedetailleerde delen worden dunnere lagen gebruikt voor kwaliteit. Dit kan de printtijd aanzienlijk verkorten zonder zichtbaar kwaliteitsverlies.
Schakel Adaptive Layers in via het menu Experimental en stel de Maximum Variation in op 0,04 tot 0,08 millimeter voor een subtiel effect, of hoger voor een agressievere aanpassing.
Ironing
Ironing laat de nozzle een extra keer over het bovenoppervlak van je print gaan zonder filament te extruderen (of met een minimale hoeveelheid). Dit strijkt de toplaag glad en geeft een bijna perfect vlak oppervlak. Ironing is ideaal voor onderdelen met een zichtbaar bovenvlak, zoals naambordjes, dozen of vlakke decoraties.
Fuzzy Skin
Fuzzy Skin voegt opzettelijk een willekeurige textuur toe aan de buitenwand van je print. Dit creert een organisch, ruw oppervlak dat lijkt op zandsteen of beton. Het is puur decoratief en vermindert de maatnauwkeurigheid, maar levert een uniek uiterlijk op voor vazen, potten en decoratieve objecten.
Brim en raft
Een brim is een platte rand die rond de basis van je print wordt gelegd om het contactoppervlak met het bed te vergroten. Dit voorkomt warping, vooral bij materialen als ABS en bij objecten met een klein grondvlak. Een brim van 5 tot 8 millimeter is voldoende voor de meeste prints.
Een raft is een volledig platform waarop je print wordt gebouwd. Rafts worden zelden nog gebruikt bij moderne printers met goede printoppervlakken, maar kunnen nuttig zijn bij printers met een ongelijkmatig bed of bij zeer kleine objecten.
Profielen opslaan en delen
Wanneer je een set instellingen hebt gevonden die goed werkt voor een bepaald filament of type print, sla deze dan op als profiel. In Cura ga je naar Manage Profiles en klik je op Create Profile. Geef het profiel een duidelijke naam, zoals PLA Snel of PETG Functioneel.
Je kunt profielen ook exporteren en delen met anderen. Dit is handig als je meerdere printers hebt of als je instellingen wilt delen met andere gebruikers van hetzelfde printermodel.
Veel filamentfabrikanten zoals Prusament en Polymaker bieden kant-en-klare profielen aan die je kunt importeren in Cura. Deze profielen zijn geoptimaliseerd voor hun specifieke filamenten en bieden een goed startpunt.
Veelgestelde vragen
Welke Cura instelling heeft de meeste invloed op de printkwaliteit?
De laaghoogte heeft de grootste visuele impact. Daarnaast heeft de printsnelheid van de buitenwand veel invloed op de oppervlaktekwaliteit. Begin met een laaghoogte van 0,2 millimeter en een buitenwandsnelheid van 40 millimeter per seconde als je een goede balans wilt tussen kwaliteit en snelheid.
Moet ik de standaard Cura instellingen aanpassen?
De standaardinstellingen van Cura werken goed voor eenvoudige prints met PLA. Voor andere materialen of specifieke eisen moet je zeker aanpassingen doen. Begin altijd met het standaardprofiel en pas vervolgens een of twee instellingen per keer aan. Print een testmodel na elke wijziging zodat je het effect kunt beoordelen.
Hoe voorkom ik stringing in mijn prints?
Stringing voorkom je door de retractie correct in te stellen. Controleer de retractie-afstand en snelheid voor jouw type extruder (Bowden of Direct Drive). Verlaag daarnaast de printtemperatuur met 5 graden en verhoog de travel snelheid. In Cura kun je ook Combing Mode inschakelen, waardoor de nozzle zoveel mogelijk over het model beweegt in plaats van over lege ruimtes.
Wanneer gebruik ik tree support in plaats van normale support?
Tree support is in de meeste gevallen de betere keuze. Het gebruikt minder materiaal, is gemakkelijker te verwijderen en laat minder sporen achter op je print. Normale support is alleen beter bij zeer brede, vlakke overhangen waar tree support moeilijk onder kan komen, of als je Cura sneller wilt laten slicen omdat tree support meer rekentijd vergt.
Wat doet de Z-seam instelling in Cura?
De Z-seam is het punt waar elke laag begint en eindigt. Op dit punt is altijd een kleine naad zichtbaar. In Cura kun je kiezen waar deze naad wordt geplaatst. Sharpest Corner plaatst de naad op scherpe hoeken waar hij het minst opvalt. User Specified laat je zelf een positie kiezen. Random verdeelt de naad willekeurig over het oppervlak, wat kleine stipjes geeft in plaats van een lijn maar minder netjes oogt op vlakke oppervlakken.










